Redactie SLC

Een vlotte pen, een neus voor nieuws en een gezonde dosis ‘nieuws’-gierigheid. Voeg daar de occasionele versnaperingen tijdens redactievergaderingen aan toe, en ziedaar: het kersverse 'Redactie SLC'! 

Dit taalteam bestaat uit Ali, Nathan, Annabel, Ward, Siskin, Leonie, Wolf, Fien onder leiding van mevr. Adams en dhr. Neckebroeck.


De tweewekelijkse verbeterzin: gymnastiek voor onze taalspieren

Vind de fouten in deze oprisping van een boze leerkracht: “Ik weet niet als je het goed beseft, maar de vakantie is allang gedaan! Wanneer ga je beginnen werken?”

Ondertussen al bijna tien jaar lang krijgen de leerlingen, leraren, directeurs, medewerkers en begeleiders van het Sint-Lievenscollege Humaniora om de twee weken een ‘verbeterzin’ in hun elektronische brievenbus. What’s in a name : soms gaat het om één zin, soms zijn er zeven of acht. Dit hebben ze alvast met elkaar gemeen: er staan taalfouten in. Kleintjes, grote, onvergeeflijke dt-fouten, verkeerde zinsconstructies en barbarismen: woorden of stukken zin die ongemerkt vanuit een andere taal het Nederlands binnensluipen, zoals zevenduizend °troepen in plaats van zevenduizend soldaten – en dankzij dat vreemde bolletje voor °troepen weet je dat het om een fout gaat.

De verbeterzin is ontstaan toen Johan Boesman nog directeur van het college was. Hij vroeg leraar Nederlands en taalkundig sabelslijper Kjell Neckebroeck om taal op school wat meer in de kijker te zetten, al was het maar omdat de eerbiedwaardige Brusselse echelons dat expliciet begonnen te vragen. In een eerste fase kwamen er op wel tien plaatsen op het college (op deuren, in mededelingenkasten enz.) grote affiches met kromme taal, verbeterde versies en wat toelichting. Gaandeweg is de computer gemeengoed geworden en hebben de omslachtige affiches plaats geruimd voor de tweewekelijkse verbeterzin op Smartschool.

De bedoeling is dat iedereen iets bijleert en dat het ook altijd voor iedereen een uitdaging is, van de nauwelijks geïnitieerde leerling van het eerste jaar tot de meest doorgewinterde leraar Nederlands. De fouten variëren dan ook van zo-duidelijk-dat-de-spellingcontrole-ze-zelf-in-het-rood-onderstreept tot taaie tante betjes, topzware linksconstructies, verkeerde beknopte bijzinnen en vooral ... de vele fouten die door de mazen van het net glippen omdat ze nu eenmaal geen alarmbelletjes doen afgaan.

Zo heeft die boze leerkracht deze fouten gemaakt: “Ik weet niet °als je het goed beseft, maar de vakantie is °allang °gedaan! Wanneer ga je °beginnen werken?” De boze leerkracht had moeten zeggen: “Ik weet niet of je het goed beseft, maar de vakantie is al lang afgelopen / voorbij ! Wanneer ga je beginnen te werken ?”

Werken aan taal, dat doen we op het college elke dag!


D-team en diversiteit: een verrijking voor maatschappij en onderwijs

Het Sint-Lievenscollege is steeds meer een spiegel van de maatschappij: niet alle leerlingen die bij ons starten, hebben Nederlands als moedertaal. Houdt die realiteit uitdagingen in? Ja, beslist, maar ook de belofte van zoveel meer (taal)rijkdom op school! Sinds de start van het schooljaar 2019-2020 heeft het college een D-team dat zich over diversiteit buigt op basis van twee doelstellingen. Eén: hoe kunnen we met diversiteit positief omgaan en er onvermoede kansen in ontdekken? Twee: hoe kunnen we ons onderwijs nog meer taalgericht maken?

Vanzelfsprekend behouden we initiatieven die hun dienst meer dan bewezen hebben, en waarover elders in dit magazine meer informatie staat: de Leesbibliotheek, de Voorleesweek, de Leesliving (het woord bekt zo lekker dat we het anglicisme door de vingers kijken). En omdat het raadzaam is om het overzicht te behouden, groeperen we initiatieven voortaan steeds nauwgezetter onder de noemer taalprojecten.

Daarnaast willen we een antwoord bieden op een even dwingende als dringende vraag: hoe helpen we leerlingen die thuis geen Nederlands spreken om de eventuele taalachterstand weg te werken, het liefst zo snel en zo doeltreffend mogelijk?

In onze zoektocht naar een bevredigend antwoord hebben we steun gevraagd en gekregen in de vorm van een leerbezoek. Op woensdag 2 oktober hebben we rond de tafel gezeten met TRANSFAIR. We hebben een analyse gemaakt van het kennismakings- en inschrijvingstraject van zogenaamde derdelanders : leerlingen die misschien als Belg te boek staan maar in elk geval ook een nationaliteit hebben los van de EU, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland, of leerlingen die zelfs helemaal staatloos zijn. Het D-team werkt intensief samen met Koen Mattheeuws van Steunpunt Diversiteit & Leren, het Onderwijscentrum Gent, de HOGent, OLVI en KTA Groenkouter.

Het zijn schuchtere eerste stapjes die het Sint-Lievenscollege zet, maar we zijn vastberaden onze inspanningen op te drijven. Zo evolueren we van een intakegesprek met derdelanders naar een intaketraject om alle uitdagingen in kaart te brengen en er op een overtuigende manier het hoofd aan te bieden.

Dat het niet altijd om problemen hoeft te gaan, bewijst het taalpaspoort dat al onze nieuwe leerlingen invullen. We staan ervan versteld hoeveel talen er op onze school vertegenwoordigd zijn! Dat is de opstap naar een heleboel initiatieven. Zo kan het in deze tijden van globalisering erg verrijkend zijn om onze taalhorizon te verruimen en goeiedag en dank je wel te kunnen zeggen in het Turks, het Albanees, het Arabisch, het Indisch ...

We kunnen op (taal)reis gaan binnen de muren van het Sint-Lievenscollege!


Hoe kijkt een gepensioneerde leraar Nederlands tegen taal op school aan?

Bruno de Laat, je bent een bijzonder gewaardeerd oud-leraar Nederlands en Engels van deze interviewer, maar onze lezers kennen je veel minder. Stel je kort voor.

Eind augustus 2019 was het vijf geleden dat ik met pensioen ben gegaan na zowat 40 jaar college. Ik ben gestart aan de Zilverenberg in januari 1975 en ik heb er in 4, 5 en 6 Engels en Nederlands gegeven tot en met het schooljaar 2013-14. Taal heeft mij altijd bijzonder sterk geïnteresseerd en daarom heb ik over mijn studiekeuze geen seconde getwijfeld: talen, in mijn geval Engels en Nederlands aan de toenmalige RUG, met de nadruk op taalkunde. Jaren later heb ik ook Spaans en Nieuwgrieks geleerd. Dat Grieks kwam me bijzonder goed van pas bij de Griekenlandreizen die ik voor de leerlingen van het zesde jaar mee organiseerde en die ik ook 21 keer begeleid heb.

Deze artikelenreeks is gewijd aan taal in het algemeen en Nederlands in het bijzonder. Wat heeft in jou de liefde voor het Nederlands wakker gemaakt?

Mijn ouders. Zij waren Vlaams-Brabanders uit twee uit elkaar liggende delen van het Pajottenland met een erg verschillend dialect en hebben bij de geboorte van mijn oudste zus in 1946 besloten over te stappen naar wat toen ABN heette: Algemeen Beschaafd Nederlands. Mijn (polyglotte) vader was bovendien tot zijn zestiende in 1936 nog Nederlander en dat heeft bij die keuze wellicht meegespeeld. Ik ben dus opgegroeid in een ‘anderstalig’ milieu in vergelijking met vrijwel al mijn klasgenootjes. Wij moesten als kinderen altijd ‘ABN’ spreken want mijn vader was ervan overtuigd dat dát - op apolitieke wijze - Vlaanderen vooruit kon helpen. Daar komt die liefde vandaan en die heb ik ook altijd aan mijn dochters willen doorgeven.

Los van de richtlijnen van het leerplan, die in jouw tijd waarschijnlijk een stuk minder uitgewerkt waren dan nu, wat waren de krachtlijnen van je lessen Nederlands? Waarop maakte je je leerlingen in het bijzonder attent? Laten we beginnen met schrijven.

Schrijfopdrachten had je in beperktere mate als luister- of lectuursynthese, maar destijds vooral in de vorm van de 'verhandeling'. Ik hamerde erop dat een ‘verhandeling’ schrijven in de eerste plaats een ‘denkoefening’ was en in de tweede plaats een stijloefening. Eerst het denkwerk voor een leeg blad: wat zijn de kernelementen van het onderwerp? Welke aspecten onderscheid ik? Wat weet ik erover? Pro’s en contra’s in argumentatie? Via o.a. de w-vragen van de ‘chrie’ kom je zo tot een analyse. Uiteindelijk groeit daar in het beste geval een gefundeerde mening uit. En dan moet je die in een gestructureerde tekst (zeggen wat je gaat zeggen / het zeggen / zeggen wat je gezegd hebt), in keurig Nederlands en in goed gebouwde zinnen logische geordend neerschrijven. Voor een deelaspect van ‘schrijven’, de (werkwoord)spelling, was ik streng. Ik weet wel dat spelling iets anders is dan taal, maar ik weet ook dat bedrijven in hun schriftelijke communicatie met hun cliënteel een goede indruk willen maken. Sollicitaties met zware werkwoordsfouten gaan meestal meteen de prullenmand in.

"Ik hamerde erop dat een ‘verhandeling’ schrijven in de eerste plaats een ‘denkoefening’ was en in de tweede plaats een stijloefening" - Bruno de Laat, oud-leraar Nederlands en Engels

Hoe pakte je spreekvaardigheid aan? Wat leverde op dat vlak de grootste leerwinst op?

Relatief grote klassen maken het moeilijk om leerlingen voldoende lang te laten spreken in een afgescheiden spreekoefening. Voor Engels gebruikte ik het rollenspel. Daar kon je telkens een zevental leerlingen in één lestijd voldoende gefundeerd beoordelen. Voor drie rollenspellen had je wel veel lestijd nodig: drie uur voorbereiden, drie uur spelen  en dan nog eens commentaar.

Voor Nederlands hield ik aanvankelijk in mijn ‘puntenboekje’ in een kolom bij hoe goed elke leerling Nederlands sprak en dat leverde een globaal cijfer op. Later kwam er die opsplitsing in vaardigheden, maar dat maakte het quoteren niet echt gemakkelijker.

Hoe heb je in de loop van je carrière de algemene taalbeheersing van je leerlingen zien evolueren? We bekijken het heel breed: spraakkunst, woordenschat, noem maar op.

Het verlangen bij leerlingen om keurig AN te spreken is volgens mij al jaren op een relatief laag niveau stilgevallen. De norm is te veel ‘le message passe’ geworden – in de stijl van ‘Als ze mij begrijpen, is het toch OK’. Zorgvuldig, genuanceerd en in een keurige taal communiceren is geen doel meer. Aandringen op AN wordt gehoord als gezeur. Ik zie geen duidelijke vooruitgang meer.

Daartegenover staat dat de klanken minder dialectisch zijn dan vroeger omdat ouders hun kinderen nog wel ‘Schoon Vlaams’ als thuistaal aanbieden. De tussentaal regeert en de openbare omroep lijkt die evolutie veeleer te ondersteunen. Buiten het nieuws en de duidingsprogramma’s hoor je daar geen Nederlands meer. De dialecten van hun kant gaan er ook sterk op achteruit en worden vreemd genoeg ook ‘besmet’ door de tussentaal. Zo zou een echte dialectspreker vroeger nooit ‘gij was’ gezegd hebben voor ‘gij waart’…

"De norm is te veel ‘le message passe’ geworden, maar daartegenover staat dat de klanken minder dialectisch zijn dan vroeger" - Bruno de Laat, oud-leraar Nederlands en Engels

De nadruk ligt vandaag een stuk minder op literatuuronderwijs dan in het verleden. Hoe pakte jij literatuur aan?

Volgens de geest van de tijd. Ik beperkte me tot poëzie. Zo hebben wij op school jarenlang ‘De Dubbelfluit’ van Van Wilderode gebruikt als handboek in de vijfde klas. Dat boek – in twee delen – behandelde de literatuur van de middeleeuwen tot het toenmalige ‘heden’. Memoriseren hoefde niet, maar we trachtten bij de analyse van een gedicht te komen tot de emotie die aan de basis ervan lag en tot de emotie die de tekst vandaag nog bij ons op kan wekken via woordkeuze, ritmiek en poëtische technieken zoals rijm, metrum, klankwaarde enzovoort.

Huislectuur, boeken lezen en bespreken, werd met de jaren steeds minder relevant. Een en ander lag aan de opkomst van het internet, waaruit leerlingen ongebreideld gingen kopiëren. Maar je kon leerlingen als spreekoefening mondeling laten rapporteren over een roman en zo vaardigheden combineren. Ik verneem wel dat literatuur tegenwoordig in álle talen op een laag pitje is gezet…

Hoe heb je ervoor gezorgd dat je eigen taalbeheersing op peil bleef?

Als jongere man had ik een batterij aan taalzuiveringsboekjes: Marc Galle, Cockx, Heidbuchel, Paardekooper, en ik raadpleegde ze voortdurend. Er gaat ook geen dag voorbij dat ik niet in een of ander naslagwerk iets opzoek. De Van Dale staat nog steeds een meter bij mijn eetkamertafel vandaan. Ik ben geabonneerd op ‘Onze Taal’ en vandaag heb je online degelijke hulpprogramma’s van de Taalunie en van de organisatie van Onze Taal. Bij problemen of twijfels kun je hun helpdesks bellen of mailen.

"De Van Dale staat nog steeds een meter bij mijn eetkamertafel vandaan" - Bruno de Laat, oud-leraar Nederlands en Engels

Welke tips en raadgevingen heb je voor startende leraren Nederlands en vreemde talen vandaag?

Ook hier kies ik de taalkundige invalshoek. Een belangrijke raadgeving is: spreek ook buiten de school en het klasgebeuren enkel Algemeen Nederlands. De keuze om voor huis-, tuin- en keukengebruik tussentaal of dialect te kiezen en enkel op school AN te spreken is nefast. Er is dan altijd interferentie, zo van het type ‘Hebben jullie allemaal uw boek bij?’.

Raadpleeg geregeld naslagwerken, overweeg voortdurend de vraag: “Is mijn Nederlands wel ‘Algemeen’ genoeg, en dus niet enkel begrijpelijk voor een Vlaming? Hou dus zeker een vinger aan de pols van wat in Nederland gezegd en gehoord wordt, bv. door een abonnement op Onze Taal of door geregeld naar Nederlandse zenders te kijken of te luisteren, zonder ‘die Ollanders’ meteen af te wijzen of hun Poldernederlands over te nemen.

Laten we tot slot even onze blik verbreden! Welke maatregelen zouden de aandacht voor een correcte en rijke taal in Vlaanderen op peil kunnen houden of verbeteren? Wat is volgens jou de taak van de minister van Onderwijs op dat vlak?

Het zou al een ontzettend grote vooruitgang zijn als onze politici in het algemeen, en zeker de Vlaamse, fatsoenlijk Nederlands spraken in hún communicatie met de bevolking. Binnen het onderwijs zelf moet de overheid er vervolgens voor zorgen dat de leerkrachten die de jongste kinderen op de meest taalgevoelige leeftijd begeleiden in de kleuterklas en de lagere school, strenger geselecteerd worden. Ten derde moet de doorlichting van het ministerie erover waken dat de instructietaal voor algemene vakken goed Nederlands is. Ten vierde moet de minister van Onderwijs ervoor ijveren dat de Openbare Omroep een taalcharter hanteert dat meer garanties biedt op keurig taalgebruik. Verder moet de overheid grotere inspanningen leveren opdat niet-Nederlandstalige burgers onze taal sneller en beter zouden leren met het oog op een betere integratie en op een beter gebruik van al het talent dat nu door taalachterstand verloren gaat.

Ik dank je hartelijk voor dit interview en wens je nog vele jaren vol (taal)plezier.

Kjell Neckebroeck


Dankzij nieuwe technologie op weg naar beter Nederlands

Nederlands is onze moedertaal en daar zijn we sterk in: om die boodschap kracht bij te zetten, zijn de collega’s Nederlands van de eerste graad druk in de weer met nieuwe en veelzijdige ICT-technologie.

Neem nu OneNote: het wordt binnenkort een middel om het rendement van schrijfopdrachten te verhogen. Leerlingen kunnen samen aan één tekst schrijven (writing in committee is dagelijkse kost in de Angelsaksische landen) en voor de druk corrigerende leraar scheelt het een hele slok op de borrel. In deze tijd vol klimaatacties is het bovendien ook een milieuvriendelijke optie, want dankzij OneNote is er voor feedback geen papier meer nodig.

Diddit is een online leerplatform van uitgeverij Van In. Bovenop de traditionele remediëring en het extra materiaal in het werkboek is er nu ook een resem digitale oefeningen. Heb je een ontgoochelende toets gemaakt? Geen nood, het Diddit-platform biedt remediëring op maat, en op het eind kan de leerkracht een gedetailleerd beeld krijgen van het traject dat de leerling heeft afgelegd. Die gegevens worden door Diddit netjes verwerkt en in een overzichtelijke tabel gepresenteerd. Bovendien zijn alle oefeningen afgestemd op het niveau van individuele leerlingen. Dat opent dan weer een heleboel mogelijkheden op het vlak van differentiatie, een vereiste in de nieuwe leerplannen van de eerste graad. Tot slot is Diddit ook nuttig in de praktijk van elke dag: het bordboek ondersteunt de lessen, waardoor leerlingen vlot kunnen volgen.

Zoveel is duidelijk: technologie is beslist een meerwaarde in het leerproces en in het streven van elke leerling om van het Nederlands de taal te maken waarin zij of hij intellectueel het sterkst staat - en dat is in Vlaanderen per slot van rekening de deur naar succes op zovele vlakken!


ICT, da’s dik oké!

Het project ‘Mediawijsheid/ Bronnenonderzoek’ loopt voorlopig enkel in de derde graad. Dat wil echter niet zeggen dat de eerste graad stilzit. Met de nieuwe leerplannen, met naast een funderend leerplan ook een leerplan voor ICT, wordt mediawijsheid meer dan ooit een prioriteit. Isabelle Vriendt, leerkracht Frans en Engels, is sinds het begin van dit schooljaar pedagogisch ICT-coördinator in de eerste graad.

Isabelle, hoe ga je precies te werk om het leerplan ICT in de praktijk om te zetten?

De directie en ik hebben ervoor gekozen om ICT niet als vak op zich te geven. Als Microsoft Showcase School vinden we het belangrijk dat ICT in ieder vak aan bod komt. Daarom bieden we het geïntegreerd aan. Per onderdeel bereid ik zelf een les voor. Die geef ik aan de leerkrachten van de vakken waarin dat onderdeel nuttig kan zijn. De leerkrachten geven de info op hun beurt door aan hun klassen. Zo gaf ik aan de leerkrachten Nederlands een les rond OneDrive, een platform waarop leerlingen samen kunnen werken zonder fysiek af te spreken. Voor Nederlands hebben de leerlingen geregeld groepswerk, dat is dus handig. Een les over mailen en chatten volgens de nettiquette gaf ik dan weer aan de leerkrachten Frans. Hun leerlingen moesten zo een Frans mailtje opstellen.

Een overzicht van de leerplandoelstellingen uit het gemeenschappelijk leerplan ICT:
1. De leerlingen organiseren, beheren en zoeken hun bestanden offline en online op een gestructureerde manier in mappen.
2. De leerlingen ontwikkelen overkoepelende vaardigheden in het gebruik van digitale toepassingen.
3. De leerlingen creëren inzichtelijk en efficiënt, online en offline, digitale inhouden.
4. De leerlingen delen digitale media en werken op een veilige manier samen in online gedeelde bestanden en/of mappen.
5. De leerlingen communiceren taakgericht volgen de nettiquette via e-mail en berichten.
6. De leerlingen navigeren functioneel op het internet met behulp van een browser.
7. De leerlingen onderscheiden de bouwstenen van een digitaal systeem.
8. De leerlingen begrijpen wat informatieverwerkende systemen zijn en hoe communicatie ertussen verloopt.
9. De leerlingen analyseren een probleem, genereren een algoritme om het op te lossen, voeren het uit en werken het bij tot het foutloos werkt, unplugged (niet-digitaal) en digitaal (grafische programmeertaal).

Voor de eerste graad zijn er nieuwe doelstellingen die elke individuele leerling moet bereiken. Zo moeten ze dankzij basisgeletterdheid op het einde van de eerste graad volop kunnen participeren aan de maatschappij. Ook ICT behoort tot basisgeletterdheid. Hoe beïnvloedt dat de evaluatie?

Omdat ik er telkens voor probeer te zorgen dat een ICT-onderdeel gekoppeld wordt aan een relevante vakgebonden opdracht, is de evaluatie dubbel. Op het rapport krijgen de leerlingen enerzijds een punt voor ICT, anderzijds is er ook een score voor het vak waarin de opdracht plaatsgevonden heeft. Zo kregen de leerlingen bijvoorbeeld een cijfer Frans voor hun schrijfopdracht, de taal en de inhoud van hun mailtje; het cijfer ICT betrof dan weer de vorm van hun bericht en respect voor nettiquette.

Vind je het als ICT-coördinator belangrijk dat de leerlingen in de eerste graad al met ICT leren omgaan?

Natuurlijk! Jongeren worden vaak ‘digital natives’ genoemd. Ze zijn opgegroeid met de computer en de smartphone. Maar of ze daarom ook alles over de digitale wereld weten? Het tegendeel blijkt vaak waar. OneDrive is voor de meesten helemaal nieuw. Ook online informatie opzoeken is vaak geen sinecure. Op het internet botsen de leerlingen op zo gigantisch veel bronnen dat ze het moeilijk vinden om te achterhalen dewelke relevant en betrouwbaar zijn. Daarnaast is het een broodnodige voorbereiding op hun latere leven. Ook buiten de lessen biedt een slim gebruik van ICT heel wat praktische voordelen. Zo kunnen de leerlingen online heel makkelijk samenwerken via OneDrive. Leerlingen die ver van elkaar wonen kunnen op die manier toch gemakkelijk een groepswerk voorbereiden zonder daarvoor het huis uit te moeten gaan en kilometers te moeten rijden. Duidelijke afspraken zorgen bovendien voor transparantie, eenheid en structuur op school. Behalve een begrippenlijst heb ik samen met de ICT-kern een afsprakenlijst uitgewerkt. Het is de bedoeling dat zowel alle leerlingen als alle leerkrachten zich aan die afspraken houden!

Een greep uit de afspraken wat betreft ICT-gebruik op school:
Berichten versturen
1. Om een bericht te sturen naar je leerkracht gebruik je steeds Smartschool.
2. Het onderwerp is steeds duidelijk en kort en geeft aan waarover de mail zal gaan.
3. Je let op nettiquette (aanspreking, standaardtaal, groet, voornaam en achternaam).
4. Indien je een bijlage meestuurt, heeft die telkens deze vorm: klas_nr_onderwerp (bv. 1TC_5_Keuze jeugdboek).
 

OneDrive
1. Om een bestand op te slaan op school gebruik je steeds OneDrive.
2. Om ordelijk te werken, kiezen we een goede mappenstructuur. In de hoofdmap ‘Schooljaar 2019-2020’ bevinden zich de volgende mappen:
- ICT;
- Mens en samenleving;
- een map voor ieder ander vak.
3. De naam van de bestanden heeft telkens deze structuur: klas_nr_onderwerp (bv. 1TC_5_Boekbespreking).